|
Windhoos
Windhozen
behoren tot de gevaarlijke weersverschijnselen die zich ook
in Nederland kunnen voordoen. Windhozen ontstaan in onweersbuien
als de lucht in een klein deel van de wolk snel opstijgt.
Een rotatie in de aangezogen lucht wordt dan verstrekt en
kan snelheden bereiken van een paar honderd kilometer per
uur.
Als de
opstijgende lucht vochtig is, wordt de omhoog wervelende lucht
zichtbaar als een trechtervormige uitstulping onder de wolk.
Door het voortbewegen van de wolk met slurf en al kan een
schadesppor ontstaan van soms kilometers lengte.
Lichte
hoosjes komen in ons land vrijwel jaarlijks voor, meestal
in het zomerhalfjaar. Hozen boven water, waterhozen, komen
het meest voor in augustus boven de Waddenzee en de Zeeuwse
wateren wanneer de zeewatertemperatuur daar hoog genoeg is.
De kracht van een windhoos wordt uitgedrukt in de schaal van
Fujita: lopend van 1 voor een lichte tot 5 voor een catastrofale
hoos.
Enkele
malen in de 20e eeuw traden zware windhozen op, die in staat
waren om stevige gebouwen met de grond gelijk te maken, zodat
ze te vergelijken waren met de Amerikaanse tornado's. Op 25
juni 1967 werden Oostmalle (België), Chaam en Tricht
getroffen. Er vielen zeven doden waaronder vijf in een woonwijk
in Tricht. De ramp in Borculo op 10 augustus 1925 werd grotendeels
veroorzaakt door valwinden. Op 1 juni 1927 was bij Neede sprake
van een tornado van klasse 4, waarbij 10 doden vielen. Bijna
even krachtig was de tornado op 23 augustus 1950 die een spoor
van 46 km lengte trok met vooral schade aan de bossen van
de Veluwe. Op 11 augustus 1972 en op 17 augustus 1992 werd
een camping op Ameland getroffen en waren slachtoffers te
betreuren. Op 6 oktober 1981 kwamen bij Moerdijk 17 mensen
om toen een vliegtuig van de NLM een vleugel verloor en neerstortte.
Dit gebeurde in de omgeving van een windhoos, die aan de grond
nauwelijks schade aanrichtte.
Windhozen
zijn vrijwel niet te voorspellen, maar wel kunnen ze alleen
optreden bij bepaalde weersomstandigheden. De verschillen
in temperatuur en vochtigheid tussen de lucht aan het aardoppervlak
en op grote hoogte in de atmosfeer moeten heel groot zijn.
Bovendien moet op zo'n 10 kilometer hoogte een zeer sterke
wind staan (straalstroom). |