1.
Regenmeter en -melder
2. Grastemperatuur op 10 cm
3. Luchttemperatuur en -vochtigheid
4. Stralingsmeter
5. Present Weather Sensor
6. Wolkenhoogtemeter
7. De mast met halverwege de barometer en bovenin de windmeter
|
1.
Regenmeter
en -melder
Het meten
van de neerslag bestaat uit twee onderdelen. De regenmelder
(links op de foto) waarschuwt de waarnemer dat er neerslag
valt. De regenmeter (rechts op de foto) is een electronische
pluviograaf waarmee de hoeveelheid en de duur van de neerslag
continue wordt gemeten. De
neerslag wordt langs electronische weg gemeten en ieder
uur wordt de gevallen hoeveelheid en de duur van de
neerslag gemeld. Na de uurlijkse meting loopt het regenwater
uit de meter. Bij vorst wordt de trechter van de regenmeter
verwarmd, zodat vaste neerslag zoals sneeuw en hagel
ook gemeten kan worden.
Om
te voorkomen dat neerslag over de trechter heen waait
is de regenmeter opgesteld in een kuil waarvan de hoogte
overeenkomt met de hoogte van de trechter (veertig centimeter).
Men noemt dit de Engelse opstelling.
|
2.
Grastemperatuur op 10 cm
De temperatuur wordt ook gemeten op een hoogte van tien
centimeter boven het gras. Indien de temperatuur op deze
hoogte tot onder het vriespunt daalt, spreekt men van
nachtvorst. In heldere nachten met weinig wind kan de
zogenaamde grastemperatuur drie à vier graden lager
zijn dan de temperatuur op anderhalve meter hoogte. Ook
in dit sensorhutje bevindt zich een electronische weerstand-thermometer.
|
3.
Luchttemperatuur en -vochtigheid
De luchttemperatuur wordt gemeten met een sensor die is
opgesteld in een thermometerhutje op anderhalve meter
hoogte. In het andere schotelhutje bevindt zich de sensor
voor het meten van de luchtvochtigheid. Op deze manier
zijn de instrumenten beschermd tegen directe zonnestraling
en tegen neerslag, terwijl de wind vrij spel heeft. De
temperatuur-sensor is een electronische weerstand-thermometer.
De vochtigheids-sensor bestaat uit een electrische condensator
waarvan de capaciteit wijzigt bij verandering van de luchtvochtigheid.
|
4.
Stralingsmeter
De stralingsmeter bestaat uit een glazen bolletje waaronder
zich twee plaatjes bevinden, één wit en
één zwart. Zodra de zon boven de horizon
is (ook bij bewolking) zal onder invloed van de zonnestraling
het zwarte plaatje een iets hogere temperatuur krijgen
dan het witte plaatje. Uit dit verschil in temperatuur
kan de straling worden afgeleid. Uit deze zogenaamde globale
stralingsgegevens is het mogelijk het aantal uren zonneschijn
af te leiden. Deze metingen zijn vergelijkbaar met de
zonneschijnmetingen die al honderd jaar verricht worden
met een zonneschijnmeter met brandglas en papierstrook. |
5.
Present Weather Sensor
De present weather sensor bevat een optische
sensor waarmee de neerslagsoort en het meteorologisch
zicht bepaald kunnen worden. Een zender verspreidt lichtpulsen
over een kegel. Een ontvanger analyseert eventueel verstrooid
licht uit een meetvolume van 0,1 dm3. Als de lucht deeltjes
bevat, bijvoorbeeld neerslag of mist, wordt dat door de
ontvanger geregistreerd. Hierbij wordt onderscheid gemaakt
tussen een continue registratie en de detectie van pulsen.
De continue registratie wordt gebruikt om het zicht te
bepalen. Pieken in de registratie duiden op neerslag,
waarbij de breedte van de piek een maat is voor de valsnelheid
van het deeltje en de amplitude verband houdt met de grootte
van het deeltje. Behalve
de hier beschreven optische sensor bevat het apparaat
nog een afzonderlijke neerslagdetector. De present weather
sensor kan zo de volgende grootheden bepalen:
- de neerslagsoort
- de neerslagintensiteit
- de neerslagduur
- het meteorologisch dagzicht
- de achtergrondhelderheid
Dit laatste dient als extra informatie voor het schatten
van nachtzicht.
Bron tekst: KNMI
|
|
Untitled Document
|
6.
Wolkenhoogtemeter
De wolkenhoogtemeter kan de hoogte van de bewolking meten
van vijfentwintig tot vijfentwintigduizend voet (acht
meter tot ruim acht kilometer). Het apparaat zendt in
bovenwaartse richting een lichtpuls uit. De puls bevat
geen zichtbaar licht, maar straling in het nabije infrarood.
Indien de lichtpuls wolkendruppels of andere deeltjes
treft, wordt een gedeelte van het uitgezonden licht teruggekaatst.
De hoogte waarop die deeltjes zich bevinden wordt dan
bepaald uit het tijdsverschil tussen het moment waarop
de puls wordt uitgezonden en het moment waarop de gereflecteerde
puls wordt terugontvangen. Uit het verticale verloop van
de sterkte van het terugontvangen signaal, wordt de basishoogte
van wolkenlagen afgeleid. Als de bewolking niet te zwaar
is kan de wolkenhoogtemeter ook twee of drie wolkenlagen
detecteren.
Bron tekst: KNMI
|
7A.
Barometer
De barometer bevindt zich aan de windmeetmast
op het waarnemingsterrein. Het is een zeer nauwkeurige
aneroïde barometer. De meting berust op het meer
of minder indrukken van een vrijwel luchtledig metalen
doosje. De luchtdruk wordt herleid tot zeeniveau.
|
7B.
Windmeter
Op de vierentwintig meter hoge meetmast bevinden zich
de windvaan (links) voor het registreren van de windrichting
en de anemometer (rechts) voor het meten van de windsnelheid.
De windvaan is zó geconstrueerd dat het instrument
bij zeer zwakke wind al reageert en bij sterke wind niet
teveel gaat slingeren. De anemometer bestaat uit drie
halve bolletjes die al vanaf een windsnelheid van 0,5
meter per seconde gaan draaien. Op een afleesscherm zijn
windrichting (in graden) en windsnelheid (in meters per
seconde) af te lezen.
|